Na de machtsovername in 1933 willen de nazi’s in Duitsland het culturele leven en het onderwijs stroomlijnen in functie van hun autoritaire wereldbeeld. Ook het onderwijs dient ingezet te worden als propagandamiddel voor de nationaalsocialistische ideologie. Autoritaire bewegingen zijn altijd wantrouwig tegenover een academische wereld die kritisch denken stimuleert. Intellectuelen worden dan ook snel als een volksvijand weggezet.
“Adolf Hitler verkondigt zelfs dat intellectuelen schuldig zijn aan de ondermijning van de Duitse natie en dat de intellectuele klasse een noodzakelijk kwaad is, dat hij, als ze niet nodig was, liever had uitgeroeid.”
Wanneer de Duitsers België bezetten is het ook snel duidelijk dat er plannen zijn om het onderwijs en de academische wereld volledig naar hun hand te zetten. Een plan wordt uitgetekend om iedere bestaande instelling een specifieke rol toe te bedelen. Gent en Luik bijvoorbeeld zouden een Vlaams en Waals wetenschappelijk studiecentrum worden, de Brusselse ULB moest na een grondige vernederlandsing een Duits-Germaans bolwerk worden tegen West-Europa, in het bijzonder tegen Frankrijk en Groot-Brittannië. Leuven, veruit de grootste universiteit, zou zich enkel nog mogen toespitsen op zuiver theologische studies.
De belangrijkste protagonist in dit boek is de rector van de Leuvense universiteit, Honoré van Waeyenbergh. Sinds 1936 is hij vicerector en in 1940 is hij nog maar enkele maanden rector als de bezetting start. Hij zal uitgroeien tot de voortrekker van het verzet van de academische wereld. Zich beroepend op het unieke karakter als vrije confessionele instelling, waar het volledige bestuur in handen is van het Belgische episcopaat en alle leidinggevende functies in handen zijn van katholieke geestelijken, probeert hij een zo onafhankelijk mogelijke koers te varen, wars van de eisen van de bezetter.